Het verloren continent wint weer

home | 24 okt 2006 | Onbekende auteur |

Afrika is de nieuwe emerging market. Bedrijven en consumenten schreeuwen om producten, diensten en investeringen,
Maar u moet wel durven.

Als wij zeggen ‘Afrika’, denkt u aan armoede, honger en oorlog en misschien aan safari’s, vriendelijke mensen en voetbal. Zakendoen is niet het eerste wat in u opkomt. En dat is een gemiste kans. Vergeet Oost-Europa, vergeet China, vergeet de rest van Azië. De nieuwe emerging market is Afrika. Sinds midden jarig negentig groeien de veertien sterkste Afrikaanse economieën jaarlijks met minstens 5 procent. En niet alleen het Noord-Afrikaanse Tunesië en het westerse Zuid-Afrika, maar ook ‘zwarte’ landen als Ghana, Botswana en Mozambique (zie ook kader) doen het prima. Investeerders staken vorig jaar 15 miljard euro in Afrikaanse economieën en dat zal alleen maar stijgen.
Wat is er aan de hand? Perceptie is een ding. Het gaat al een tijdje stukken beter met het werelddeel dat velen nog altijd zien als ‘het verloren continent’. Maar media hebben het liever over oorlog en ellende en succesverhalen dringen maar langzaam door. Bovendien heeft Nederland geen koloniaal verleden in Afrika, waardoor het werelddeel nooit duidelijk op onze radar staat. Franse, Britse, Amerikaanse en steeds vaker Chinese ondernemers zien al veel langer het potentieel en investeren miljarden in veel Afrikaanse landen.
Een andere driver is Zuid-Afrika. Die economie doet het goed en sinds het einde van de Apartheid investeren Zuid-Afrikanen graag over de grens. Dat geld vloeit in eerste instantie naar de buurlanden, zo’n 2 miljard euro, en ook steeds meer naar andere Afrikaanse landen. De grootste Zuid-Afrikaanse bierbrouwer, SABMiller, heeft belangen in 29 Afrikaanse landen. Voor buitenlandse bedrijven vormt Zuid-Afrika een perfecte springplank naar de rest van het continent. Bankzaken, het regelen van documenten, infrastructuur, het is in Zuid-Afrika allemaal in orde. Een andere brouwer, het Brabantse Bavaria begon twee jaar terug voorzichtig met de overname van een Zuid-Afrikaanse branchegenoot en zet nu ook zijn eerste stappen in de buurlanden. Zo’n 10 procent van de omzet komt al uit Mozambique, Namibië en Zambia.

Investors darling
Ook Nederlandse ondernemers die al veel langer in Afrika actief zijn, merken dat er beweging is. Zoals het Helmondse Vlisco dat al sinds 1846 (!) felgekleurde batikstoffen maakt voor de West-Afrikaanse markt. De droom van veel vrouwen uit Ghana of Ivoorkust was altijd een jurk van Real Dutch Wax – de duurste stof uit de collectie van Vlisco - die zo’n 10 euro per vierkante meter kost. Rond de laatste eeuwwisseling waren de Helmonders nog de kledingkoningen van West-Afrika, met een omzet van 173 miljoen euro en een winst van 28 miljoen euro. Maar inmiddels is Vlisco in de rode cijfers beland.
De Helmonders hebben flink zitten slapen. De goedkopere stoffen van Vlisco worden inmiddels uit de markt gedrukt door scherp geprijsd Chinees textiel. Een nog groter probleem is Nigeria. Dat land vormt met 135 miljoen inwoners de belangrijkste afzetmarkt voor Vlisco. Maar uit angst voor onveiligheid en corruptie heeft het nooit een eigen fabriek gebouwd in Nigeria en het land altijd bediend vanuit fabrieken in buurlanden. Die strategie blijkt een drama nu Nigeria de grenzen heeft gesloten voor talloze buitenlandse producten, waaronder textiel en bier. Heineken bouwde wel een fabriek in Nigeria en heeft met zijn ‘Nigeriaanse’ Premium Quality-bier nu goud in handen. Geen ondernemer kan de politiek zomaar negeren op het continent.
Juist dat is een belangrijke factor bij de Afrikaanse groei. Een flink aantal landen heeft sinds enige tijd veel meer politieke stabiliteit en pakt de corruptie aan. Het oude Afrika is te zien in een land als Congo (volgens de Wereldbank het moeilijkste land ter wereld om zaken te doen), waar miljoenen buitenlandse entrepreneurs maandenlang angstvallig afwachtten hoe de verkiezingen zouden aflopen. Vrede, een regering die aanblijft en fatsoenlijke wetgeving kunnen wonderen doen. Ghana dat al twintig jaar politieke rust heeft, bloeit al veel langer. Of neem Angola. Daar kwam in 2002 na bijna dertig jaar een eind aan een slopende burgeroorlog. Sindsdien is het land met een economische groei van 27 procent per jaar een ware investors darling.

1.347 vergunningen
Een laatste grote trendbreuk zijn economische hervormingen. Aangejaagd door de Britse premier Blair en popster Bono krijgt een deel van Afrika schuldenverlichting. Maar de tijden van blind geld doneren zijn voorbij. Ontwikkelingshulp anno 2006 betekent ook geld voor een efficiëntere Kamer van Koophandel en de eis dat plaatselijke en buitenlandse ondernemers meer ruimte krijgen. Dat werkt. Verenigd in het samenwerkingsverband NEPAD hebben 24 Afrikaanse landen zich verplicht tot hervormingen. Waar het in Congo nog altijd 155 dagen duurt om een bedrijf te starten, doen Afrikaanse voorlopers het anders. In Madagascar duurt het slechts 8 dagen om een bedrijf te beginnen (was 38), Mozambique bracht de belasting op de verkoop van eigendom terug van 10 naar 2 procent en in Kenia hadden ondernemers voorheen 1.347 verschillende vergunningen nodig, dat zijn er nu nog 195.
Door zulke maatregelen beginnen steeds meer Afrikanen een eigen bedrijf. Microkredieten helpen daarbij. Leningen aan kleine bedrijven, meestal tussen de 50 en 250 dollar en een looptijd van zes weken tot drie maanden. Afrikaanse banken zijn er te bang en bureaucratisch voor, maar microfinancieringsinstellingen behoren zelf tot de snelst groeiende bedrijven van het continent. Oeganda telt vijf van dergelijke instellingen en die zijn allemaal zeer winstgevend. De Nederlandse financieringsmaatschappij FMO steekt ruim 300 miljoen euro, de helft van zijn portefeuille, in deze instellingen om ze uit te laten groeien tot nieuwe banken. Maar ook daarboven, bij bedrijven met 5 tot 125 werknemers, is de behoefte groot. De Nederlander Bart Meijs springt met zijn investeringsmaatschappij InReturnCapital in dat gat met financieringen van 50.000 tot 500.000 euro (zie ook kader Ondernemen op Afstand).

Dure zakken
Geld verdienen en goed doen, het is een vaak geziene combinatie in Afrika. Het Amsterdamse Unicontrol Commodity houdt zich bezig met de controle, opslag en overslag van cacao. Een business van hard werken en niet zeuren, met kleine marges en grote volumes. Cacao-overslag in het westen gaat meestal in bulk. Dat gaat sneller, de opslagkosten liggen lager en de controle op de kwaliteit is hoger. Maar in veel Afrikaanse havens wordt er nog met zakken gesleept: het is onhandig stapelen, moeilijker controleren, ze trekken beestjes en stof aan en zijn niet opnieuw te gebruiken. In de cacaoproducerende landen wordt vooral de kwaliteit getest, in de havens van bestemming wordt de cacao op- en overgeslagen.
Westerse afnemers trokken aan de bel bij Unicontrol, ze waren de onhandige en dure zakken zat. Na vijf jaar lobbyen gingen de Ghanezen overstag. Unicontrol mocht een 9.000 vierkante meter grote bulkterminal bouwen in de Ghanese havenstad Takoradi. Niet eenvoudig met voortdurend uitvallende stroom en gebrekkige waterleiding. Het complex kostte 4 miljoen euro, waarvan ruim de helft werd gefinancierd met subsidies. Banken hadden er geen trek in.
Voortaan worden de zakken op de naad opengesneden in Ghana, in bulk overgeladen en hergebruikt. Bulk in plaats van zakken scheelt 16 dollar per ton, maar de winst is niet alleen voor de westerse afnemers. De cacao-export uit Ghana is nu gestegen van 400.000 naar 600.000 ton en de cacaoboeren produceren meer, omdat het meer oplevert. En Unicontrol is met het betalen van premies voor ziektekosten en pensioen bepaald geen slechte werkgever voor de Ghanezen. Unicontrol is enthousiast en wil het kunstje graag herhalen in buurland Ivoorkust, met een cacao-export die twee keer zo groot is als die van Ghana. Maar voorlopig lukt dat niet: de makers van zakken in Ivoorkust hebben goede politieke connecties.

Populaire glossy
Zakendoen in Afrika is dus niet alleen weggelegd voor grootmachten als Shell, Heineken en Unilever. Juist kleinere Nederlandse ondernemers kunnen met hun open geest, durf en flexibiliteit ver komen. Nog maar 7 procent van de vaderlandse entrepreneurs is actief in Afrika, zo blijkt uit ons Sprout-onderzoek (zie kader ‘Afrika is nog onbekend’), en degene die het continent (nog) mijden zijn dikwijls onwetend over de mogelijkheden. ‘Ik lever diensten, dus heb ik er niks te zoeken’, antwoorden meerdere ondernemers. Maar de Afrikaanse entrepreneur van nu is niet alleen kleine boer of kapper, maar ook uitgever, internetprovider of leverancier van sms-diensten. Zoals de Oost-Afrikaanse webprovider Wananchi, die naar de beurs gaat, het Keniaanse Mobile4goods dat vacature-info per sms levert, of uitgever Mundia Muchiri die vrouwentijdschrift Eve uitbouwde tot een populaire glossy, compleet met eigen gala en een omzet van een miljoen euro. Alle drie tot bloei gekomen met (westerse) investeerders. Het continent bloeit er zichtbaar van op en er is behoefte aan alles. De groeiende Afrikaanse middenklasse en het Afrikaanse bedrijfsleven willen hun geld laten rollen en snakken naar westerse kennis, producten, en diensten. Van mobieltjes tot deskundige consultants. De schaarse concurrentie maakt de rendementen ook bijzonder fraai. Zo maken banken winsten van 30 procent en zien mobiele operators klantenaantallen met 50 procent per jaar groeien. Operationele marges van 50 procent zijn niet uitzonderlijk. In 2004 leverden Afrikaanse markten gemiddelde rendementen op van 41 procent, vergeleken bij 34 procent in China en 9 procent in de VS.

Misschien wel het meest succesvolle verhaal vormt mobiele operator Celtel. Afrika was voor de grote mobiele operators niet interessant, toen de Soedanees Mohamed Ibrahim in 1997 vanuit Hoofddorp Celtel begon, samen met twee partners. In die tijd waren KPN en Vodafone vooral druk bezig met het veroveren van Europa en Azië. Maar Ibrahim verkocht zijn participaties in bedrijven in India en Hongkong en concentreerde zich op Midden-Afrika. Daar zag hij grote mogelijkheden. De licenties waren er spotgoedkoop en hij kon lenen van ontwikkelingsbanken.
Landje voor landje - Sierra Leone, Burkina Faso, Niger, Mali, zijn moederland Soedan - bouwde Ibrahim het Celtel-imperium op. Maar één op de honderd Afrikanen had in die tijd een telefoon, allemaal vaste lijnen. Ibrahim wist zeker dat er een grote behoefte was aan mobiel bellen. Op een continent zonder fax, met een gebrekkig postsysteem, slecht openbaar vervoer en zonder koeriers, is een mobieltje onmisbaar om zaken te doen. Met een prepay-systeem is het ook bereikbaar voor de gewone Afrikaan. Het wordt een fast moving consumer good: koop ik een biertje of een kaart van vijftig cent om met mijn broer te bellen?
In de beginjaren was het pionieren. Investeerders haalden hun neus op, maar de Wereldbank wilde wel. Die zag hoe Celtel Afrikaanse economieën laat groeien. De bank kon ook worden ingeschakeld als er gedoe was met autoriteiten; de Wereldbank belde dan even met de president. Ook moest Celtel geregeld zelf wegen aanleggen en dieselgeneratoren installeren, inclusief bewaking. Om zijn bedrijf te professionaliseren gaf Ibrahim na vijf jaar KPN’er Marten Pieters de operationele leiding.
Ibrahim’s visie blijkt te kloppen. Inmiddels bellen 15 miljoen Afrikanen met Celtel. Kleine marges en grote volumes (net als bij overslagbedrijf Unicontrol) zorgen voor een omzet van een miljard euro. Vorig jaar nam het Koeweitse MTC Celtel over voor ruim 2,5 miljard euro. Ibrahim, een man van principes die beweert nooit een cent smeergeld te hebben betaald, wilde dat niet alleen de westerse werknemers hun opties konden verzilveren. Hij keert ook zijn 3.500 Afrikaanse medewerkers een half jaarsalaris uit: 3.000 dollar.
Het sprookje van Celtel is geen wonder, maar vooral te danken aan visie en pioniersgeest, zaken waar de beste ondernemers is uitblinken. Afrika is klaar voor honderden nieuwe Celtels.

In welke landen liggen de kansen?
-Angola
-Botswana
-Ghana
-Kameroen
-Kenia
-Mozambique
-Nigeria
-Oeganda
-Tanzania
-Zuid-Afrika

Afrika is nog onbekend

-Sprout vroeg Nederlandse ondernemers of zij zakendoen met Afrika
-Slechts 7 procent onderneemt in Afrika
-20 procent heeft wel interesse
-Van degene die geen zakendoen met Afrika doet 46 procent überhaupt nooit internationaal zaken, zegt 30 procent onvoldoende kennis te hebben van de markt, 7 procent vindt Afrika te instabiel en 4 procent vindt de economie te zwak
-Er deden 155 ondernemers mee aan het onderzoek (RR)

Ondernemen onder begeleiding
Wie wil ondernemen onder begeleiding in Afrika kan terecht bij het nieuwe InReturn East Africa Fund, een initiatief van RebelGroup en strategisch partner Cordaid. Het fonds in opbouw heeft een omvang van 4 tot 8 miljoen euro, verwacht nettorendementen van 6 tot 11 procent, de minimumdeelneming is 50.000 euro. InReturn investeert in groeiende bedrijven van 2 tot 125 werknemers in Oost-Afrika, een regio met goede vooruitzichten. Managing director Bart Meijs vraagt deelnemende ondernemers om geregeld naar het gebied af te reizen om de bedrijven daar te begeleiden.
www.inreturncapital.com

Gerelateerde artikelen:


 

reacties

(0)
reageer op dit artikel


 

 
Volg Sprout

 
Volg Sprout