Taco Carlier (VanMoof): ‘Ik ben idealistisch ingesteld’

Sprout-ambassadeur Taco Carlier (39) van fietsproducent VanMoof is niet alleen ondernemer, hij is ook zelfverklaard idealist. “Ik zou er niet aan moeten denken om auto’s te produceren.”

Ambassadeurs
In onze Ambassadeurs-reeks spreken we innovatieve ondernemers én Sprout-members, die zichzelf bewezen hebben en Nederland kleur geven. Hoe zag hun weg naar de top eruit?

Carlier was al als student aan het ondernemen. Toen hij op de TU Delft studeerde, begon hij met zijn broer Ties (39) aan wat zou uitgroeien tot een omvangrijk imperium aan bedrijven: Dutchband en Payfield, waarmee ze de betalingen op festivals gemakkelijker wilden maken en sinds 2009 ook oud-Challenger van het Jaar VanMoof, een internationaal opererend fietsenbedrijf.

Inmiddels heeft Carlier met zijn broer zeventig medewerkers (58 fte) op de loonlijst staan en kantoren in Tokio, New York en Berlijn. Afgelopen jaar maakte zijn bedrijf een omzet van 6 miljoen euro; een verdubbeling van het jaar ervoor. Vandaag mag Carlier bovendien nog iets aan zijn curriculum vitae toevoegen; het felbegeerde ambassadeurschap van Sprout. Want, zoals Carlier het zelf omschrijft: “We zijn samen opgegroeid.”

Wanneer begon je als ondernemer en hoe zagen de begindagen eruit?

“We begonnen op 1 januari 2001. Op die dag schreven Ties en ik ons in bij de KvK in Delft. Ik studeerde toen Industrieel ontwerpen in Delft, terwijl mijn broer in Lochem woonde. We begonnen dus samen op twee verschillende locaties. We maakten alle startup-clichés waar. Zo ontwikkelden we dingen samen in de garage, en hadden we een leenauto om spullen bij klanten te brengen. Mijn hele studentenkamer lag bovendien vol met producten.”

We maakten alle startup-clichés waar; mijn studentenkamer lag vol met producten

“Wat we ons nu niet altijd beseffen, is dat het landschap sindsdien volledig is veranderd. Toen ik in 2004 bij de TU Delft wilde afstuderen met een eigen bedrijf, verklaarde men me voor gek. Tegenwoordig rollen universiteiten over elkaar heen om studentenbedrijven te promoten. De TU Delft heeft daar nu juist een voortrekkersrol in. In mijn tijd had je hooguit studentenchauffeurs en –uitzendbedrijfjes, maar tegenwoordig ga je als studentondernemer meteen voor de hoofdprijs; de nieuwe Facebook worden.”

Wat vond je als ondernemer de grootste uitdaging?

“Het aller moeilijkste vond ik het om de eerste full-time fte’er op de loonlijst te hebben. Je moet taken dan structureren en je dient een team neer te zetten. Een goed team creëren, is lastig, vind ik. Je kunt wel ergens een paar mensen neerzetten, maar een samenwerkende groep die het bedrijf verder helpt en efficiënt werkt, is lastig samen te stellen. Als je dat eenmaal voor elkaar hebt, ben je er als het ware al. Je hebt de machine dan aan het draaien.”

“Wat het vinden van de juiste mensen in de beginfase zo lastig maakt, is dat je nog niet het budget hebt om toppersoneel aan te nemen. Toch heb je wel degelijk goede allrounders nodig. Soms ben je hierdoor wel vier jaar op zoek. Wij hebben alles altijd op eigen kracht gedaan, veel investeerders waren er niet. Tegenwoordig is dat gemakkelijker. Als je een investeerder vindt, kun je misschien wel direct toppers aannemen.”


Carlier en zijn broer leverden in het begin fietsen voor 399 euro. "Dat heeft ons bijna een miljoen gekost."

Heb je ook iets kunnen leren van andere ondernemers?

“’Just do it’ van Richard Branson is een van mijn belangrijkste lessen van de afgelopen 15 jaar. Probeer veel en creëer trial-and-error. Veel dingen leer je maar op één manier; door ze te doen. Je kan jaren aan een plan werken om het vervolgens op de markt te brengen en erachter te komen dat het niet zo uitpakt als je dacht dat het zou doen.”

Veel dingen leer je maar op één manier; door ze te doen

“Maar goed, zo leer je wel hoe mensen reageren. Ook uit mislukkingen ontstaan nieuwe kansen. Je moet daarom zorgen dat je niet twijfelt en in beweging blijft. Als je niet beweegt, val je om. Richard Branson doet dat continu. Als hij zich ergens aan ergert, probeert hij datgene te verbeteren. Dat heeft hij bijvoorbeeld gedaan met de luchtvaart- en treinbusiness.”

“Wij hebben zelf ook veel geprobeerd. In het begin hadden we met VanMoof een heel ander bedrijfsplan dan wat het uiteindelijk geworden is. We wilden wereldwijd een betaalbare fiets op de markt zetten voor 399 euro. Toen bleek dat niet alle steden zo zijn als Amsterdam. Voorbij Brussel worden de steden veel heuvelachtiger. Tel daarbij op dat je voor 399 euro geen kwaliteitsfiets kan maken, omdat je afhankelijk bent van leveranciers.”

“Door simpelweg dingen uit te proberen, hebben we dit geleerd. Aanvankelijk waren onze goedkope fietsen een groot succes. Het leverde een enorme bekendheid op en binnen een jaar kende dan ook iedereen ons. Maar het businessmodel was niet duurzaam. Het heeft ons zelfs heel veel geld gekost. Na de eerste paar jaar zaten we al tegen de miljoen euro aan kosten. Toch, op die fundamenten hebben we wel de rest van VanMoof gebouwd.”

Wat is je missie en wat zou je nog graag willen bereiken?

“Wij willen in steden wereldwijd net zoveel mensen op de fiets krijgen als in Nederland. Daarnaast willen we het grootste stadsfietsenmerk van de wereld worden. We werken hieraan door onze modellen veiliger en robuuster te maken.”

“Ook willen we het businessmodel van de hele fietsenwereld veranderen. Dit doen we door alleen online te verkopen aan consumenten, of via onze eigen winkels. Die hebben we geopend in steden als Tokio, Berlijn en New York. Deze winkels zien we als ambassades, waarmee we mensen bekend willen maken met fietsen.”

In de jaren '60 stierf de fiets uit in het Amsterdamse stadsbeeld

“Om iedereen wereldwijd op de fiets te krijgen, zijn we natuurlijk afhankelijk van steden, maar we hebben op dit moment de wind in de rug. Grote steden in de wereld zijn druk aan het investeren om meer fietsen in de stad te krijgen. Londen steekt 10 miljard in het verbeteren van de infrastructuur, Parijs wil er overheen en New York heeft de afgelopen jaren ook keihard geïnvesteerd. Het besef groeit dus dat je niet met miljoenen mensen door de stad kunt rijden in de auto.”

“Waar mogelijk, geven wij ook voorlichting en helpen we in het politiek proces. Ik geef bijvoorbeeld lezingen in het buitenland, waarin ik vertel hoe wij in Nederland onze fietscultuur voor elkaar hebben gekregen. Ik vertel bijvoorbeeld dat de fiets in het Amsterdam van de jaren ’50 en ’60 ook aan het uitsterven was in het staatbeeld. Dankzij de Provo’s, het Witte Fietsenplan en de politieke besluitvorming steeg geleidelijk aan het aantal fietsen weer. Die groei houdt aan tot vandaag de dag.”


Dat oud-studiegenoten bij oliebedrijven werken, begrijpt Carlier niet zo. "Waarom zou je je beperkte tijd aan zoiets spenderen?"

Als je een advies mag geven aan je 20-jarige zelf, wat zou dat zijn?

“Groei harder. Dat we dit in het begin niet deden, had ook met de tijd te maken. Je dacht toen nog kleiner. Tegenwoordig lijkt de wereld groter door het internet en denk je meer globaal. Wij waren toen al heel trots dat we na twee jaar onze eigen zaken kon betalen, en dat omzet elk jaar met 50 procent groeide. Nu denk ik: het had nog wel harder gekund.”

Denk 10 procent van je tijd na over hoe je je omzet kunt vertienvoudigen

“Als ik in deze tijd die 20-jarige jongen zou zijn, zou ik wel met een investeerder in zee willen gaan. Er is zoveel kapitaal. Wij hadden te maken met veel minder fondsen. Maar misschien hadden we harder moeten zoeken, of toch meer geld moeten lenen.”

“Afijn, de kern van mijn advies is: denk groter. Voor ons heeft het lang geduurd, maar nu zien we met VanMoof dat het mogelijk is om de hele wereld aan de fietsen te helpen. Heb daarom altijd een plan in je achterhoofd. Het is goed om 10 procent van je tijd na te denken over hoe je niet slechts kunt verdubbelen, maar vertienvoudigen.”

Als je deze bedrijven niet zou hebben, wat zou je dan doen?

“Dan was ik ook ondernemer. Ik zou dan iets op het gebied van productontwikkeling doen. Dat komt eigenlijk niet veel voor in Nederland. Het is allemaal diensten en ontwikkeling tegenwoordig. Echte makers zijn er niet veel. Alle hardware komt uit China, en een beetje uit San Francisco.”

“Ik zou wel een goede invloed op de wereld willen hebben. Elektrische auto’s maken bijvoorbeeld, of windmolens verbeteren. Ik ben wel idealistisch ingesteld. Voor mij is het vanzelfsprekend om iets op te zetten wat een positieve invloed heeft op de wereld. Ik moet er niet aan denken dat ik op olie rijdende auto’s zou verkopen. Hoe beter je het doet, hoe meer je verdient, maar ondertussen maak je de wereld er niet sterker op.”

“Hoe ouder ik word, hoe minder ik het begrijp dat leeftijdsgenoten er nog steeds voor kiezen om bij een grote oliemaatschappij te werken. Ik wijs het niet af, maar ik snap simpelweg niet dat je daar je beperkte tijd aan spendeert. Ik spreek wel eens oud-studiegenoten van Delft, die bij dit soort bedrijven zijn beland. Als ik hen ernaar vraag, krijg ik altijd hetzelfde antwoord: hun oliemaatschappij zou het zoveel beter doen dan de anderen en daarom doen ze het. Dat zeggen ze allemaal. Ik denk dan: hoe harder ze schreeuwen, des te minder ervan is waar.”


Carlier gaf al zijn medewerkers een boek over Nike cadeau: "De oprichters hadden geen flauw benul dat Nike zo groot zou worden."

Hoe kijk je naar Sprout, welke waarde heeft het en waarom?

“Wij zijn een beetje opgegroeid met Sprout. Jullie zijn volwassen geworden en wij ook, zo voelt het. Voor mij is Sprout super inspirerend. Vooral ook voor jonge ondernemers die in de fase voor ons zitten. Ik vind het mooi dat Sprout alle kanten van het ondernemerschap belicht. Het draait niet alleen om succesverhalen van Amerikaanse techstartups, maar het gaat ook gewoon over een jongen die een koffietent opent, bij wijze van spreken. Want dat is net zo goed ondernemerschap.”

Welk ondernemersboek moet iedereen lezen?

Nike-oprichter Phil Knight moest in het dieptepunt een paar duizend dollar van zijn ouders lenen

“Ik heb al mijn werknemers het nieuwe boek Shoe Dog van Nike-oprichter Phil Knight cadeau gegeven. Het beschrijft de oprichtingsfase van het schoenenmerk op fantastische wijze. De oprichters hadden geen flauw benul dat Nike zo’n groot merk zou worden. Ze konden gewoon geen goede sportschoenen vinden, dus besloten ze om ze zelf maar te produceren. Het is mooi om te lezen hoe diep ze zijn gegaan. Op het absolute dieptepunt moest Phil een paar duizend dollar van zijn ouders lenen.”

“Er staan bovendien veel overeenkomsten in met ons bedrijf. Nike deed in de beginfase handel met Japan, wij met Taiwan. Wij zijn een tijdje fietsenimporteur geweest voor we VanMoof begonnen, ook zij waren importeur.”

Welk Nederlands bedrijf heeft het in zich de nieuwe Booking of Adyen te worden?

“Ik ben gek op de digitale bank Bunq, van Ali Niknam. Ik gebruik het veel. Met één druk op de knop open je een rekening. Ze kijken op een nieuwe manier naar bankieren. Natuurlijk zijn er veel mitsen en maren, maar ik vind het mooi hoe Ali Niknam alles op eigen geld doet. Hij is volledig onafhankelijk en je ziet hem dus ook keihard fouten maken.”

Eerder verschenen in deze Ambassadeurs-serie interviews met Willem van Roosmalen (Homerun), Tom Coronel (Create2Fit) en Wouter de Bruijne (ParkBee).

Jelmer Luimstra is journalist voor Sprout. Hij schrijft over startups, Silicon Valley en nieuwe economie.