Zonder wrijving geen glans

reinier pepijn floris van bommel

Reynier (40), Floris (39) en Pepijn (34) runnen als negende generatie het 280 jaar oude familiebedrijf Van Bommel. Een gesprek met de drie broers over wrijving, familiebanden en focus.

DIT IS EEN ARTIKEL UIT HET NIEUWE SPROUT MAGAZINE. MEER VAN DIT SOORT GAVE INTERVIEWS LEZEN? WORDT MEMBER!

Reynier (algemeen directeur): “We hebben nu geen ruzie meer omdat we vroeger zo goed als altijd ruzie hadden.”

Pepijn (commercieel directeur): “Hij steelt mijn quotes.”

Floris (creatief directeur): “Pepijn heeft als jongste de meeste stompen gehad.”

Pepijn: “Ik had permanent een blauwe plek op mijn schouder. Op de achterbank van de Volvo van mijn vader, op weg naar de camping in Frankrijk, hebben we de grootst mogelijke ruzies uitgevochten.”

Floris: “Maar jij ging ook telkens op mijn stuk zitten.”

Welkom in de wereld van de broers Van Bommel. Ze hadden er al voor gewaarschuwd, want eigenlijk hebben ze een hekel aan zo’n interview met zijn drieën. Ze zijn bang voor het ‘daar-heb-je-hen-weer-effect’. En voor het toneelstukje. Floris: “Het wordt al snel een sketch die we dan opvoeren. We worden een karikatuur van onszelf.”

Jullie hebben verschillende karakters. Hoe vullen jullie elkaar aan?

Stilte.

Pepijn: “Dit is helemaal geen interview, dit is stiekem counseling.”

Floris: “Ik kan er niet iets uitpikken. Dan krijg je ‘beschrijf elkaar in vijf woorden’. Daarmee doe ik hen tekort.”

Pepijn: “In elke situatie vullen we elkaar aan.”

Stilte.

Goed. Even weg van de sketch en de stilte dan maar, over naar de operationele gang van zaken. In Duitsland hebben ze “flink geplust” afgelopen jaar. Van Bommel probeert al meer dan een halve eeuw de Duitse markt te veroveren, maar eigenlijk kunnen ze nu pas voor het eerst zeggen dat het echt goed gaat. Er zijn al die jaren wel schoenen verkocht, maar het is niet gelukt de nummer één positie in het hogere segment voor heren te bereiken zoals in Nederland. Lang was dat ook niet de ambitie, maar de negende generatie heeft dat nu wel als doel.

Duitsland trekt. Niet dat het een modemekka is qua schoenen, zoals Parijs of Milaan dat zijn voor modeontwerpers. Nee, het is gewoon een aantrekkelijke groeimarkt. Floris: “Duitsland is Nederland on steroids. De Duitse smaak ligt dicht tegen de onze aan, maar het land is veel groter.”

Reynier tikt wat op zijn rekenmachine. Als Van Bommel in Duitsland evenveel succes krijgt als in Nederland, rekent hij snel uit, kan het bedrijf er anderhalf miljoen paar schoenen aan de man brengen. Per jaar. Dat zijn er nu 75.000. Er moet dus nog even worden doorgewerkt. Ter vergelijking: in Nederland worden nu 320.000 paar schoenen verkocht en in België 100.000.

Vijf jaar geleden zijn er resoluut keuzes gemaakt. Intussen is de koers alweer drie keer bijgesteld. Sinds kort is er een retailmanager aangesteld speciaal voor Duitsland. De verkoop steeg er het afgelopen jaar met bijna dertig procent. Een belangrijke klus de komende twee jaar wordt  het openen van zeven eigen winkels in de grote steden (Berlijn, Frankfurt, Keulen, Düsseldorf, Hamburg, Stuttgart en München).

“De enige reden dat het nu zo goed gaat”, verklaart Floris, “is dat we alle andere landen waar we actief waren, hebben weggestreept. Net als met Risk hebben we alle poppetjes op Duitsland gezet.” Het speelveld van Van Bommel was dan ook een lappendeken. Er werden schoenen verkocht van Nieuw-Macedonië en Japan tot aan Amerika, Zuid-Afrika en Curaçao.

“Dat was het opportunisme van dit bedrijf”, aldus Reynier. Of, op z’n Brabants: de ‘ge wit mar nooit’-filosofie van vader Frans. Alles uitproberen, alle kansen pakken, want… je weet maar nooit. “Daar is hij heel ver mee gekomen”, vervolgt de oudste. “En dat bedoel ik niet sarcastisch.”

Die filosofie van jullie vader hebben jullie dus losgelaten. Was dat moeilijk?

Pepijn: “Dit bedrijf is doordrongen van die filosofie. Dat wij hier zitten hebben we aan hem te danken. Maar met betrekking tot de export heeft die gedachte nergens het succes opgeleverd dat lijkt op het succes in Nederland. Behalve in België. Daarom zijn we ermee gestopt. Duitsland was een van de vele projecten buiten de deur. Nu we met al die andere projecten zijn gestopt en ons alleen nog maar richten op Nederland, België en Duitsland is er focus. Dat betaalt zich uit.”

Meer focus. Is dat de belangrijkste verandering die het bedrijf onder jullie leiding heeft doorgemaakt?        

Floris: “Ik denk het wel. Op alle gebieden. We zijn er continu mee bezig. Er komen elke dag mooie kansen voorbij. Tegen cowboys met enthousiaste verhalen over wat we allemaal niet kunnen bereiken als we met ons merk in hun land aan de slag gaan, zeggen we nee. We willen rustig blijven bouwen aan Duitsland. Dat heeft ook met discipline te maken, nog zo’n lijfspreuk van mijn vader.”

Discipline?

Reynier: “Di-sci-pline[K1] , met streepjes ertussen. En een hoofdletter. Het was geen militaire discipline van jongens ga eens in de pas lopen. Maar als we wat wilden, in mijn geval een op afstand bestuurbare auto, dan moesten we daar eerst maar eens heel serieus over nadenken. Als we de auto een halfjaar later nog wilden, mochten we het serieus gaan overwegen. Pas nóg later mochten we het dan kopen, ook al hadden we er zelf al voor gespaard. Discipline was dus vooral: wacht nog maar even.”

Is jullie vader nog betrokken bij het bedrijf?

Reynier: “Bij zijn vertrek in 2001 hebben we een raad van advies in het leven geroepen, omdat we het toch wel somber vonden van het verlies aan expertise; iemand met veertig jaar ervaring stapt op. Naast mijn vader bestaat die adviesraad uit onze gepensioneerde accountant en een oud-commercieel directeur: mensen die het bedrijf van binnen en buiten kennen.”

Volgen jullie hun advies altijd op?

Reynier: “Ze geven eigenlijk geen advies, ze stellen vragen. Waarom doe je dit? Wat is de onderbouwing van deze keuze?”

Pepijn: “Pas op het moment dat ze het raar beginnen te vinden, gaan ze heel veel vragen stellen.”

Noem eens zo’n moment.

Reynier: “Het ontslag van de algemeen directeur, zes jaar geleden, die hier 21 jaar had gewerkt en door mijn vader was aangesteld.”

Wat was de reden dan voor zijn ontslag?

Reynier: “De uitdagingen waar het bedrijf voor stond, wilden wij als familie op een andere manier oplossen dan hij. Dat was toen vervelend, maar achteraf gezien was het logisch. Floris en ik zaten met zijn tweeën een jaar of zes in het bedrijf. We hadden als nieuwe generatie wat tijd nodig om ons het bedrijf eigen te maken. Op een gegeven moment hadden we zo veel feeling met het bedrijf en de touwtjes zodanig in handen, dat we onze eigen richting wilden volgen.”

En werd jij algemeen directeur.

Reynier: “Daar stond mijn vader achter. We hebben toen veel aan zijn advies en steun gehad, want het was te veel om in mijn uppie, samen met Floris, te doen.”

Welk advies kreeg je toen?

Reynier: “Het klinkt onnozel misschien, maar ze hebben me in eerste instantie teruggestuurd. Denk er nog maar eens over na, weet je het wel zeker? Dat past ook weer in dat hoofdstuk discipline. Dat heb ik gedaan. Ik heb ook nagedacht over hoe we het dán moesten gaan doen. Je kunt wel zeggen: dit werkt niet meer, hij moet weg, maar wat dan? Het alternatief moet wel beter zijn.”

De broers hebben ieder een eigen rol, maar werken nauw samen. Als er beslissingen moeten worden genomen die de koers van het bedrijf aangaan, zitten ze bij elkaar. Dat is vrij vaak. Dan zijn er nog de formele vergaderingen met het managementteam, de raad van advies en, met z’n drieën als directieteam. Wie vermoedt dat ze dan wel genoeg van elkaar hebben gezien, heeft het mis. Ook buiten werktijd zoeken ze elkaar op. Sterker nog, Floris en Pepijn zijn buren van elkaar in het centrum van Tilburg.

Floris: “Hoeveel stappen waren het?”

Pepijn: “Twaalf. Wel levensgevaarlijk. Hij kwam vanuit zijn gang de straat op rennen - kon niet zien of er verkeer aankwam - om te tellen hoeveel stappen het precies waren.”

Floris: “Twaalf stappen dus.”

Daar houdt het niet op, want de vrouw van Reynier (huis op twee minuten fietsafstand) en de vriendin van Pepijn hebben samen een horecazaak. Daar zit de hele familie, inclusief ouders, op zaterdagochtend aan de koffie. De avond ervoor hebben de broers al bij Willem II op de tribune gezeten. Floris en Pepijn gaan al van jongs af aan naar wedstrijden van de Tilburgse voetbalclub. Reynier koopt onder lichte dwang van de andere twee broers ieder jaar braaf een seizoenskaart. Inmiddels zitten ze er met een hele vriendenclub. “Dus het is allemaal heel eng”, vat Pepijn lachend samen.

Werk en privé lopen compleet door elkaar?

Pepijn: “Zoals iedereen met collega’s na het werk bij een borrel over het werk praat, zo doen wij dat ook. Alleen zijn wij ook eigenaren en directeuren.”

Reynier: “Wel hebben we nog nooit - en als het aan mij ligt gaat dat ook nooit gebeuren - een bespreking uitgesteld naar de avond. Zo van: daar hebben we het straks wel over, als we naar de film gaan. Dat doen we niet.”

Hoe was dat vroeger thuis?

Reynier: “Ons pap vertelde helemaal niks.”

Floris: “Omdat mijn moeder er niet werkte. En hij wilde het zelf ook niet.”

Pepijn: “Mijn moeder had graag nog wel eens wat meer gehoord, maar hij zat als enige van de familie in de directie. Zijn manier om daarmee om te gaan, was om thuis, thuis te laten zijn. Veel mensen hebben de behoefte om dingen van zich af te praten. Hij niet.”

Hoe komt het dat jullie dan toch alle drie in de zaak zijn gaan werken?

Pepijn: “Misschien juist wel daarom.”

Speelde er een verantwoordelijkheidsgevoel?

Floris: “Al die generaties in de schoenen… Als ze ons bij het Wereld Natuur Fonds zouden onderzoeken, zouden ze het een fokprogramma noemen. Laatst vroeg een ontwerpster nog aan me: ‘Wat weet je toch veel over schoenen, waar heb je dat allemaal geleerd?’ Toen zei ik: ‘Dat was allemaal al geupload toen ik geboren werd. Die software zat er al in.’”

Pepijn: “Ik heb het nooit als vanzelfsprekendheid gezien, of druk gevoeld om hier te komen werken. Integendeel.”

Wat was het dan wel?

Reynier: “Het is natuurlijk wel verrekte leuk.”

Floris: “Het is toch gewoon allemaal een beetje toeval? Als we een vurige ambitie hadden gehad om architect of chiropractor te worden…”

Dit kun je toch geen toeval meer noemen?

Reynier: “Nee maar als je die mogelijkheid krijgt en het bedrijf is er, waarom zou je het dan niet proberen? Zo heb ik het altijd ervaren. Waarom niet? Mijn vader is er ook niet ongelukkig van geworden. Wij hebben dit bedrijf gekregen van de generaties hiervoor en wij proberen het mooier te maken dan het nu is. Dat is ons doel.”

‘Ge wit mar nooit’ was het motto van de vorige generatie. Wat is júllie motto?

Floris: “Ik heb wel een favoriete quote: wie gequote wordt, heerst. En die is van mezelf, die quote. Ik weet het. Hij is flauw.”

Pepijn: “Ik heb er wel een. ‘Ohne Reibung kein Glanz’. Dat spreek ik vaak uit tegen de Duitse verkopers. Een vertegenwoordiger moet iets verkopen aan een winkelier. Het zit in de natuur van zo’n verkoper om het eens te zijn met de klant, hij wil een prettige relatie. Maar als je de strijd niet aangaat, creëer je geen positie voor jezelf. Soms moet je iets durven uitleggen wat niet in het straatje van de winkelier ligt. Zonder wrijving geen glans.”

Tekst: Annette van Soest