Ik ben een Professional Outsider (column)

Columnist Herbert van Hoogdalem bedenkt altijd de beste ideeën als een onderwerp hem persoonlijk raakt. Hij heeft er deze maand moeite mee...

Op zesjarige leeftijd wist ik al hoe ik me later ging noemen: Professional Outsider. Ik deed nooit ergens aan mee, maar ik kon wel met een mateloze fascinatie staan kijken. Het ene moment knikkerde iedereen, daarna kon het zomaar omslaan. Naar touwtjespringen, of smurfensnot. Wat was het omslagpunt? Waar werd de kritieke massa bereikt waardoor iets hip werd? En vooral: wat dreef die kinderen? Die vraag werd met het klimmen der jaren ook in vakmatige zin mijn bestaansrecht. Wat houdt de mens aan de gang? Waarom doen we wat we doen? Als soort zijn we een raar dier dat z'n natuurlijke biotoop vernietigd, onze bloeddorst kan zich zo nu en dan meten met een losgeslagen troep hondsdolle hyena’s. Ik geef ruiterlijk toe dat ik meer dan eens het fatalisme liet winnen van mijn geloof in het goede in de mens.

Dertien jaar werkte ik dag en nacht samen met een partner. Beiden waren we niet in de wieg gelegd voor ons vak. We hadden het talent  en de drive, maar heel Nederland helpen aan spullen of denkbeelden die ze niet nodig had, daar waren we niet oppervlakkig genoeg voor.  In die wereld kan alleen cynisme je overeind houden. Dus hielden we ons - heel stoer - staande met de gevleugelde uitspraak: De wereld is ziek. En wij gaan hem niet beter maken. Gelukkig was onze bek te groot, ons hart te klein en hielden we ons totaal niet aan dat adagium. We zetten we ons meer dan eens in voor de goede zaak. Vooral Amnesty International werd het podium voor ons persoonlijke rechtvaardigheidsgevoel: een samenwerking die ooit zelfs leidde tot 4,3 miljoen handtekeningen in één machtige beweging - een viral voordat het internet überhaupt bestond. Terugkijkend heb ik in mijn vorige loopbaan de beste ideeën altijd bedacht als het onderwerp me ook persoonlijk raakte.

Toen de deadline voor dit stukje opdoemde, moest ik er weer aan denken. Ik worstelde. Nee, niet zozeer met de deadline, dat is niks nieuws onder de zon. Nee, dit keer vocht ik met het onderwerp. De wereld staat in de fik. In Irak en Syrië worden kinderen het hoofd afgehakt door laffe, gemaskerde klootzakken met een wereldbeeld gebaseerd op een verkeerd uitgelegd boek. In Gaza loopt de aangevallen David als een Goliath door de straten op zoek naar tunnels die zijn aangelegd met geld dat was bedoeld voor ontwikkelingssamenwerking. Op een berg aan de rand van Koerdisch gebied verhongert een tot nu toe onbekende bevolkingsgroep omdat beneden een zekere en afgrijselijke dood hen grijnzend en likkebaardend opwacht. Vliegtuigen vallen uit de lucht - anders helpen ex-kgb'ers in uniform met Hitlersnorretje wel een handje - en ik  vrees dat we de gevolgen van een Ebola-pandemie met z'n allen nog niet helemaal kunnen bevatten. Of ik dan over ideeën wil schrijven. Over ondernemen. Over - heel tof - hard werken en veel geld willen verdienen.

Nou, nee. Eigenlijk niet. Er was trouwens maar één idee dat me de afgelopen tijd opviel: crowdsuing. Hoe geniaal: het web gebruiken om de massa te verenigen en zodoende als één man je juridische gelijk halen, in plaats van vermorzeld worden door de lange adem van advocatenkantoren die werken voor puissant rijke merken en bedrijven. Waarom was dit al niet tien jaar eerder bedacht? Waarom had ik het niet bedacht? Ik zag ze al zitten. De jonge hipsters, met baarden, afgezakte broeken en hippe T-shirts. Op zoek naar de volgende financieringsronde om hun record aan maandelijkse burn rate vooral in handen te houden. Bovendien: de media-aandacht was snel weggezakt en de site vertelde me niets over het succes. Ik besloot te bellen. Het bleek dat crowsuing vanuit puur idealisme was opgezet door een stel intelligente, maatschappijkritische geesten. Ze doen het er nu nog bij, maar weten verdomd goed wát ze aan het doen zijn. En hoe dat moet.

Toen ik ophing, dacht ik: de wereld is ziek, maar er zijn nog mensen die hem beter willen maken. Misschien wordt het tijd dat ik stop met toekijken. En eens flink ga mee doen.

tekst: Herbert van Hoogdalem